De website vertelt wat een opvang belooft, de rondleiding laat zien hoe het er op een gewone ochtend aan toegaat. Plan er liever twee of drie, lees vooraf het laatste GGD-rapport en neem deze vragen mee.
Vaste gezichten en de groep
Een baby heeft op het kinderdagverblijf hooguit twee of drie vaste medewerkers, een ouder kind hooguit drie of vier, en op elke dag dat je kind komt, werkt er minstens één. Op de bso geldt die regel niet; daar zit je kind in één basisgroep van hooguit 30 kinderen.
1. Wie worden de vaste gezichten van mijn kind, werken zij op onze dagen, en wie valt in als ze ziek zijn of op vakantie?
2. Hoe groot is de groep, hoe oud zijn de kinderen en blijft mijn kind in één vaste groep?
3. Voor de bso: hoe komen de kinderen van school naar de bso, en wie loopt of rijdt mee?
Goed is een antwoord met namen, een rooster en vaste invallers die de kinderen kennen. Vraag voor het ophalen van school om een vaste afspraak, ook voor als je kind er niet staat.
De mentor en de ontwikkeling van je kind
Elk kind heeft een mentor uit de eigen groep, die de ontwikkeling volgt en jouw aanspreekpunt is. Op het kinderdagverblijf bespreekt de mentor die op vaste momenten met je, op de bso als dat wenselijk is, bijvoorbeeld als jij erom vraagt. Hoe vaak, staat niet in de wet.
4. Wie wordt de mentor, en hoe vaak hebben we een gesprek over de ontwikkeling?
5. Hoe merken jullie dat een kind extra aandacht nodig heeft, en wat doen jullie dan?
Goed is een vast gespreksmoment en een mentor die je kind bij naam kent. Informatie over je kind gaat bij de overstap naar school of bso alleen met jouw toestemming mee.
Genoeg handen op de groep: bkr, achterwacht en EHBO
Hoeveel medewerkers er moeten staan, hangt af van het aantal kinderen en hun leeftijd: de beroepskracht-kindratio (bkr). Aan het begin en eind van een lange dag staan er soms minder, en dat mag.
6. Hoeveel medewerkers staan er op de groep, ook vroeg in de ochtend, tijdens de pauzes en aan het eind van de dag?
7. Wie is de achterwacht als er maar één medewerker in het gebouw is?
8. Wie heeft kinder-EHBO, en hebben de medewerkers van de babygroep de babyscholing?
Is er volgens de ratio maar één medewerker nodig, dan moet een andere volwassene telefonisch bereikbaar zijn en bij een calamiteit binnen vijftien minuten op de locatie kunnen zijn. Staat er in de uren met minder personeel maar één, dan moet er een tweede volwassene in het gebouw zijn. Goed is een antwoord met een naam. Tijdens de opvang is er altijd iemand met kinder-EHBO, en sinds 1 januari 2025 moeten medewerkers die met baby's werken, op een paar uitzonderingen na, een babyscholing hebben.
Veiligheid: vierogenprincipe, slapen en het beleid
Op het kinderdagverblijf moet een medewerker altijd gezien of gehoord kunnen worden door een andere volwassene; op de bso en bij gastouders geldt dat vierogenprincipe niet. Elke locatie heeft een veiligheids- en gezondheidsbeleid, en ook ouders moeten dat kunnen inzien.
9. Hoe regelen jullie het vierogenprincipe, ook aan het begin en eind van de dag?
10. Hoe slapen de baby's, en hoe vaak kijkt er iemand?
11. Mag ik het pedagogisch beleidsplan en het veiligheids- en gezondheidsbeleid meenemen?
Goed is een uitleg die je in het gebouw terugziet: ramen tussen de groepen, een babyfoon, een rooster waarin niemand lang alleen staat. Bij slapen hoor je bij voorkeur dat de opvang het Protocol Veilig Slapen van VeiligheidNL volgt; dat is geen wet.
Wennen en ziek zijn
Het pedagogisch beleidsplan beschrijft hoe kinderen wennen. De afspraken maak je in het plaatsingsgesprek vóór de eerste opvangdag: de wenperiode en bijzonderheden over dagritme, voeding, ziekte en medicatie. Zo staat het in de algemene voorwaarden van de branche (versie 2025).
12. Hoe gaat het wennen, en vallen de wenmomenten voor of na de ingangsdatum van het contract?
13. Wanneer moet mijn kind thuisblijven, en wanneer bellen jullie om het op te halen?
Vallen de wenmomenten na de ingangsdatum, dan zijn het gewone opvanguren die je betaalt; dat verschilt per aanbieder. Volgens het RIVM blijft een kind beter thuis als het erg ziek is of de groep kan aansteken, maar elke opvang heeft een eigen ziektebeleid. Goed is dat beleid op papier, met de regels voor ziekmelden, ophalen en medicijnen.
Openingstijden, sluitingsdagen en wat je betaalt
14. Op welke dagen is de opvang dicht, en betaal ik voor studiedagen?
15. Hoe werkt ruilen, en wat gebeurt er als de opvang een dag dichtgaat door personeelstekort?
16. Wat zit er in het uurtarief: luiers, eten, flesvoeding, uitstapjes?
Over dagen dat de opvang dicht is, zoals een studiedag, krijg je geen toeslag; erkende feestdagen zijn de uitzondering. Of je studiedagen betaalt, hangt af van je contract. Ruildagen zijn meestal een service en geen recht, maar een ruildag omdat de opvang zelf dichtgaat, moet je volgens BOinK echt kunnen inzetten. Goed is een lijst met sluitingsdagen voor het hele jaar en een ruilbeleid op papier.
Contact met ouders, de oudercommissie en het GGD-rapport
Bij het ophalen hoort een medewerker iets te vertellen over de dag, en na een ernstig incident licht de opvang je direct in. Elke locatie heeft in principe een oudercommissie, met adviesrecht op onder meer het pedagogisch beleid, veiligheid en de prijs; de houder bespreekt elk GGD-rapport met die commissie.
17. Hoe houden jullie me op de hoogte, bij het ophalen en tussendoor?
18. Is er een oudercommissie, en waarover heeft die het afgelopen jaar advies gegeven?
19. Wat stond er in het laatste GGD-rapport, en wat hebben jullie ermee gedaan?
Op de laatste vraag is een goed antwoord open en precies: wat de GGD vond, wat er is veranderd en hoe het nu gaat. Weet de medewerker het niet, vraag het dan aan de locatiemanager.
Plek en wachtlijst
20. Is er plek op de dagen die wij willen, hoe werkt de wachtlijst en kost inschrijven iets?
Of er plek is, hoor je alleen bij de opvang zelf. Vraag ook of broertjes, zusjes of doorstromers naar de bso voorrang krijgen, en hoe lang je mag nadenken als er een plek vrijkomt.
Waar je op let tijdens de rondleiding
Hoe de medewerkers met de kinderen praten: op ooghoogte, bij naam, en of ze reageren als een kind verdrietig is.
Of het rustig is. Wat drukte is normaal; let op huilende kinderen die niemand troost.
Hoeveel kinderen en medewerkers er op de groep zijn. Tel zelf.
De ruimte: binnen minstens 3,5 m² per kind, buiten minstens 3 m² vaste buitenspeelruimte, en een aparte slaapruimte voor kinderen tot anderhalf jaar.
Of je overal mag kijken, ook in de slaapkamer en bij de verschoontafel.
Na de rondleiding
Schrijf de antwoorden meteen op, per locatie, en leg ze naast het GGD-rapport: wat je hoorde over vaste gezichten en genoeg handen, vind je daar terug onder personeel en groepen.
Vaste gezichten, vierogenprincipe en bkr uitgelegd
Zoek opvang en bekijk de GGD-rapporten
- Besluit kwaliteit kinderopvang, onder meer artikelen 3, 4, 7, 9, 10 en 18 (wetten.overheid.nl)
- Wet kinderopvang, artikelen 1.54 en 1.58 tot en met 1.60 (wetten.overheid.nl)
- Ondernemersplein, vaste-gezichtencriterium
- Ondernemersplein, beroepskracht-kindratio en vierogenprincipe
- Ondernemersplein, mentor in de kinderopvang toewijzen
- Kinderopvang werkt!, scholing werken met 0-jarigen
- Rijksoverheid, kwaliteit kinderopvang
- VeiligheidNL, Protocol Veilig Slapen in de Dagopvang
- Brancheorganisatie Kinderopvang en BMK, Algemene voorwaarden voor Kinderopvang, versie 2025 (artikel 4, plaatsingsgesprek)
- RIVM (KIDDI), zieke kinderen in het kindercentrum
- Rijksoverheid, meer duidelijkheid over sluitingen en openingstijden kinderopvang (15 februari 2024)
- Klachtenloket Kinderopvang, thema-analyse kinderopvang en studiedagen
- BOinK, brochure Prijzen in de kinderopvang 2026
- Klachtenloket Kinderopvang, communicatie met ouders